Skip to content
enkele koe op stal

Laatste ronde herziening omzetbelasting op gebruiksvee

Content voor publicatie in Nieuwe Oogst, geschreven door Bert van den Kerkhof, voorzitter van de Vaksectie Recht van de VLB. Gepubliceerd in NO op 25 april 2020

Op 7 juni 2019 heeft de Hoge Raad de ondernemers die beroep in hadden gesteld tegen de afwijzing van hun verzoek om teruggaaf in verband met de  herziening omzetbelasting op gebruiksvee in het gelijk gesteld. Deze uitspraak is voor de VLB en LTO aanleiding geweest om voor ondernemers die in verband met de afschaffing van de landbouwregeling nog aanspraken hadden op teruggaaf, tot een praktische afspraak te komen met de belastingdienst. Het gaat hierbij om de teruggaaf van de herzieningsomzetbelasting op melkkoeien, fokzeugen, melkgeiten en fokschapen. De werkafspraak die enige tijd op zich heeft laten wachten is onlangs door de belastingdienst gepubliceerd.

Bij de consultatie over het wetsvoorstel tot de afschaffing van de landbouwregeling, is door de VLB en LTO aan de wetgever al aandacht gevraagd voor de herziening van omzetbelasting op gebruiksvee. De opvatting van de VLB en LTO is dat bij landbouwregelaars op het moment van afschaffing van de landbouwregeling ten onrechte omzetbelasting op de ondernemer blijft drukken.

Deze opvatting is naar mijn oordeel begrijpelijk, omdat over de producten die met het gebruiksvee worden geproduceerd vanaf 1 januari 2018 omzetbelasting moet worden afgedragen. Door de herzieningsomzetbelasting niet terug te betalen wordt deze groep van ondernemers benadeeld ten opzichte van ondernemers in de normale omzetbelastingregeling. De gewezen landbouwregelaars hebben namelijk nooit de kans gehad om de niet teruggevraagde omzetbelasting op de investeringen terug te verdienen, zoals dit onder de methodiek van de landbouwregeling wel kon. 

De wetgever heeft echter voor deze groep geen overgangsregeling getroffen. De wetgever was kennelijk zo overtuigd van haar gelijk dat hierbij geen sprake was van de toepassing van de herzieningsregeling, dat zij een overgangsregeling niet noodzakelijk achtte.

De uitspraak van het hoogste rechtscollege heeft het speelveld tussen de ondernemer en belastingdienst echter veranderd. Dit betekent voor de ondernemers die begin 2019 tijdig in bezwaar c.q. beroep zijn gekomen tegen de afwijzing van het verzoek om teruggaaf, alsnog door de belastingdienst in het gelijk moeten worden gesteld.

De ondernemers die omwille van de kosten in het verleden hebben afgezien om bezwaar c.q. beroep in te stellen hebben volgens de belastingdienst hun recht laten verlopen. De termijn om in bezwaar te komen tegen de aangifte omzetbelasting 2018 is immers al op 6 juni 2019 verlopen.

Deze laatste groep heeft op basis van de wet echter nog wel aanspraak op een herziening van de omzetbelasting over de jaren 2019 t/m 2021.

Dit standpunt heeft de VLB en LTO meteen na de uitspraak van de Hoge Raad in de Platform Landbouw aan de orde gesteld en vervolgens met het ministerie van Financiën besproken. Gezien het feit dat berekening van de herziening van omzetbelasting op gebruiksvee in beginsel een complexe berekening met zich meebrengt, omdat per bedrijfsmiddel de in de kostprijs begrepen omzetbelasting moet worden vastgesteld, is hierbij voor een praktische werkwijze gepleit.

Deze werkwijze is gevonden door te werken met forfaitaire percentages toegepast op de balanswaarde van het gebruiksvee op 31 december 2017.

Gegeven de complexiteit van de berekeningen is er in beginsel voor gekozen om alleen voor melkkoeien c.q. jongvee een forfaitair percentage vast te stellen. Omdat bij de overige veesoorten sprake was van een veel beperktere groep is er voor gekozen om voor deze groep op individuele basis tot een afspraak met de inspecteur te komen met in achtneming van deze methodiek.

Rest de opmerking of de wetgever er niet beter aan had gedaan om dit in de overgangsregeling in het voorstel voor afschaffing van de landbouwregeling op te nemen. Desnoods had de wetgever dit onderdeel afhankelijk gesteld van de uitkomst van de aanhangige procedure.

Een ding staat vast: een dergelijke bepaling in de overgangsregeling had zondermeer veel discussie kunnen voorkomen.

 

 

 

Mr. H.J. van den Kerkhof, voorzitter Vaksectie Recht VLB