Skip to content
lege varkensstal

Staken onderneming betekent niet altijd direct afrekenen

Content voor Nieuwe Oogst geschreven door Ellen Smit, lid van de Vaksectie Recht namens Countus

Ieder jaar stoppen meer dan 2.000 boeren met hun bedrijf en de verwachting is dat dit aantal in de toekomst zal toenemen. Een stoppende boer krijgt met allerlei zaken te maken, waaronder de fiscale aspecten van de staking van zijn onderneming. Onderstaand wordt de vraag beantwoord op welk moment (jaar) de stoppende boer gehouden is af te rekenen over zijn bedrijfsmiddelen. 

Fiscaal afrekenen
Het staken van een onderneming betekent meestal een fiscaal afrekenmoment. Bedrijfsmiddelen zullen verkocht worden of voortaan voor privé gebruikt gaan worden. Het verschil tussen de verkoopopbrengst (of de waarde in het economisch verkeer als goederen naar privé gaan) en de boekwaarde van deze bedrijfsmiddelen, behoort tot de belaste winst. De bedrijfswoning waar de ondernemer zelf in woont, mag voor een lagere waarde (de waarde in bewoonde staat) over naar privé.

Moment van afrekenen
In sommige gevallen worden bij de staking van een onderneming niet alle bedrijfsmiddelen (direct) verkocht en is het ook niet de bedoeling om die bedrijfsmiddelen duurzaam voor privédoeleinden te gaan gebruiken. In een dergelijke situatie hoeft er niet altijd in het jaar waarin de onderneming gestaakt wordt, fiscaal afgerekend te worden over deze bedrijfsmiddelen.

Voor het bepalen van het afrekenmoment gelden de volgende regels:

  • De goederen die voortaan gebruikt gaan worden in de privésfeer, gaan over naar het privévermogen. Er zal over deze goederen afgerekend moeten worden.
  • De goederen die een beleggingsfunctie krijgen, moeten ook verplicht over naar het privévermogen.
  • Als goederen vooralsnog aangehouden worden in afwachting van een geschikte gelegenheid tot verkoop of in afwachting van sloop, dan blijven deze goederen verplicht tot het ondernemingsvermogen behoren en hoeft er nog niet over afgerekend te worden.

Voorbeeld
Een voorbeeld om deze regels te verduidelijken: Een varkensboer stopt in 2019 met zijn onderneming. Tot zijn ondernemingsvermogen behoren erf en gebouwen (waaronder een woning). De varkensboer wil het erf met gebouwen verkopen, maar vindt pas in 2020 een koper. Omdat de ondernemer hier wacht op een geschikte gelegenheid van verkoop, blijven het erf en de gebouwen tot zijn ondernemingsvermogen behoren, tot in 2020 de verkoop plaatsvindt. Het afrekenmoment ligt dus in 2020.

Stel dat de stoppende varkensboer zijn erf met gebouwen niet wil verkopen, maar zelf in de woning blijft wonen. Hij verhuurt vanaf 2019 één van de bedrijfsgebouwen en is van plan om dit duurzaam te blijven doen. Daarnaast is hij van plan om de varkensstallen te slopen, wat uiteindelijk in 2020 gebeurt. In dit geval gaan de woning en het verhuurde bedrijfsgebouw in 2019 over naar het privévermogen en moet hierover in 2019 afgerekend worden. De varkensstallen mogen in afwachting van het moment van sloop tot het ondernemingsvermogen blijven worden gerekend. Hierover hoeft de ondernemer pas in 2020 af te rekenen.

Bedoeling en taxatie
Om te bepalen op welk moment afgerekend moet worden over goederen die tot de onderneming behoren, zal gekeken moeten worden naar de bedoeling van de ondernemer: wat wil hij met deze goederen gaan doen?

Zeker als bedrijfsmiddelen naar privé overgebracht worden (bijvoorbeeld erf en gebouwen), is een taxatie van belang om tot een juiste vaststelling van de waarde te komen. Met name voor gebouwen die naar privé gaan, zal gekeken moeten worden welke functie zij nog hebben en hoe de totale waarde van het complex van gebouwen aan de verschillende onderdelen toegerekend kan worden.

 

 

 

Mr. Ellen Smit, senior Fiscaal Jurist bij Countus en lid van de Vaksectie Recht van de VLB