De Vereniging van Accountants- en Belastingadviesbureaus ‘VLB’, LTO Nederland en NAJK hebben gezamenlijk gereageerd op de voorgestelde wijzigingen in de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) en de doorschuifregeling aanmerkelijk belang (DSR) in de Fiscale Verzamelwet 2028.
Positief over de richting, maar regeling blijft te beperkt
De organisaties ondersteunen de gekozen richting. Het wetsvoorstel erkent dat tijdelijke uitruil van landbouwgrond onderdeel kan zijn van een normale agrarische bedrijfsvoering, onder meer vanwege vruchtwisseling, bodemkwaliteit, biodiversiteit en beperking van gewasziekten en gewasbeschermingsmiddelen. Positief zijn onder andere de toegestane verhouding van maximaal 1:2 tussen gepachte en verpachte grond en het feit dat de pachtstromen niet rechtstreeks tussen dezelfde agrariërs hoeven plaats te vinden.
Toch vinden de organisaties dat het voorstel onnodig ingewikkeld blijft. Vooral de eis dat de verpachting noodzakelijk moet zijn voor verbetering van de bodem vormt volgens hen een belangrijk knelpunt.
Noodzakelijkheidstoets sluit reguliere ruilsituaties uit
In de agrarische praktijk wordt grond niet uitsluitend uitgeruild om de bodem van het verpachte perceel te verbeteren. Een akkerbouwer kan bijvoorbeeld grond van een melkveehouder nodig hebben voor zijn teelt en in ruil andere grond aan die melkveehouder beschikbaar stellen, zodat beide bedrijven hun bedrijfsomvang en bouwplan kunnen handhaven. Ook dergelijke transacties hebben een duidelijke bedrijfsmatige functie.
Volgens de indieners biedt de aanwezigheid van een teeltpachtovereenkomst al voldoende zekerheid dat sprake is van een daadwerkelijk agrarisch belang. Grond die uitsluitend als belegging wordt aangehouden, zal doorgaans niet tegenover inkomende teeltpacht staan. Daarom stellen zij voor de noodzakelijkheidstoets geheel te laten vervallen en als uitgangspunt te nemen dat tegenover de uitgaande pacht sprake moet zijn van teeltpacht.
Praktische bezwaren tegen een ‘noodzakelijke’ termijn
Ook de eis dat grond niet langer mag worden verpacht dan noodzakelijk wordt problematisch gevonden. Wat noodzakelijk is, verschilt per gewas, grondsoort, perceel, teelthistorie, bouwplan en bedrijfsstrategie. Een biologische of regeneratieve ondernemer kan bewust een langere vruchtwisselingscyclus hanteren dan een gangbaar bedrijf. Een objectieve, voor alle situaties geldende termijn bestaat daarom niet.
De organisaties vrezen bovendien discussies met de Belastingdienst wanneer de inspecteur achteraf moet beoordelen welke termijn landbouwkundig noodzakelijk was. Daarmee bestaat het risico dat fiscale beoordeling te veel gaat ingrijpen in bedrijfsmatige keuzes van de ondernemer.
Als de noodzakelijkheidstoets toch wordt gehandhaafd, stellen zij voor niet uitsluitend te spreken over verbetering van de bodem, maar over “verbetering of instandhouding van de bodemkwaliteit en/of bodemgezondheid”. Vruchtwisseling kan immers ook bedoeld zijn om bodemmoeheid, uitputting, aaltjes en ziekten te voorkomen. Daarnaast zou niet een strikt noodzakelijke, maar een redelijke termijn moeten gelden, waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden en strategie van het individuele bedrijf.
Meer aansluiting zoeken bij de agrarische praktijk
Verder vragen de organisaties om terugwerkende kracht of overgangsrecht voor schenkingen en overlijdens vóór 1 januari 2028. Zonder overgangsregeling kan een bedrijfsoverdracht vóór die datum nog tot belastingheffing leiden, terwijl met het wetsvoorstel juist wordt erkend dat de huidige regeling te knellend is.
Ook zouden pacht en verpachting op het moment van schenking of overlijden niet exact gelijktijdig hoeven te lopen. Doorslaggevend zou moeten zijn of zij functioneel samenhangen binnen hetzelfde teeltseizoen, dezelfde teeltcyclus of hetzelfde vruchtwisselingsplan. De regeling moet bovendien expliciet voor alle landbouwondernemingen gelden en niet alleen voor akkerbouwers en melkveehouders.
Tegenbewijsregeling
Ten slotte vragen de organisaties om duidelijkheid over de toepassing van de 1:2-verhouding, vooral bij meerpartijenruil. Die verhouding lijkt voor een groot deel van de praktijk werkbaar, maar zal niet iedere reële vruchtwisselingssituatie afdekken. Daarom wordt voorgesteld een tegenbewijsregeling op te nemen, zodat een ondernemer ook bij overschrijding van de 1:2-verhouding kan aantonen dat daadwerkelijk sprake is van een bedrijfsmatig noodzakelijke vruchtwisselingssituatie.
Zie hier voor volledige reactie op het wetsvoorstel.
Bernadette Roos, secretaris Vaksectie Recht VLB
