De VLB heeft commentaar aangereikt op het wetsvoorstel waarin nieuw pachtrecht is opgenomen. Daarbij is de gelegenheid te baat genomen door de leden van de de Vaksectie Recht van de VLB om nogmaals de knelpunten in fiscale wet- en regelgeving voor agrariërs die grond uit gebruik geven, onder de aandacht te brengen. Deze knelpunten hebben ook (indirect) een verband met de pachtwetgeving.

Onderstaand de fiscale aanbevelingen:

  • Bedrijfsopvolgingsregeling en teeltpacht

    • De bedrijfsopvolgingsregeling (hierna: BOR) in de Successiewet 1956 is in beginsel sinds 1 januari 2024 niet meer van toepassing op grond die uit gebruik gegeven wordt aan een derde (art. 35c, zevende lid, onderdeel a, Successiewet 1956). Er geldt een uitzondering voor de terbeschikkingstelling van los land op grond van een schriftelijke pachtovereenkomst, mits wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 396, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (art. 35c, negende lid, Successiewet 1956). Er moet dus een rechtsgeldige teeltpachtovereenkomst zijn afgesloten. Dit kan alleen als de overeenkomst is aangegaan voor 1 of 2-jarige teelten voor de duur van maximaal 1 of 2 jaar en is aangegaan voor een teelt waarvoor vruchtwisseling noodzakelijk is.

      In de praktijk komen diverse vormen van uit gebruik geven in het kader van vruchtwisseling voor, waarvoor geen teeltpachtovereenkomst kan worden afgesloten. Voorbeeld: een akkerbouwer en een melkveehouder ruilen grond met elkaar. De melkveehouder geeft grond uit gebruik aan de akkerbouwer, waar akkerbouwer aardappelen op gaat telen. Hiervoor kan een teeltpachtovereenkomst afgesloten worden. De akkerbouwer geeft grond uit gebruik aan de melkveehouder, waar de melkveehouder gras op teelt. Hiervoor kan geen teeltpachtovereenkomst afgesloten worden. Terwijl er duidelijk sprake is van het uit gebruik geven in het kader van vruchtwisseling door de akkerbouwer. Indien tijdens de periode waarin de grond uit gebruik is gegeven een bedrijfsoverdracht bij leven plaatsvindt of de akkerbouwer overlijdt, is de BOR niet van toepassing op die grond. Een schenking kan nog gepland worden, maar een overlijden niet. Dit levert daarom een groot financieel risico op voor de bedrijfsopvolger(s) van de overleden akkerbouwer.

      Naar onze mening zijn de beperkingen in de BOR – kijkend naar de achterliggende doelstelling – niet bedoeld voor dit soort situaties van uit gebruik geven van grond door en tussen agrariërs. Deze beperkingen in de BOR blokkeren wenselijke vormen van vruchtwisseling en ook de gewenste ontwikkelingen in het kader van  kringlooplandbouw.

      Wij brengen hierbij ook de aangenomen motie van het lid Grinwis c.s.[1] onder de aandacht. In deze motie staat “dat samenwerking tussen melkveehouders en akkerbouwers om tal van redenen positief is, niet in het minst omdat deze bijdraagt aan biodiversiteit, bodem, water en het sluiten van kringlopen”. Vervolgens wordt er geconstateerd “dat er significante fiscale belemmeringen zijn bij het komen tot een geïntegreerd bouwplan door een melkveehouder en een akkerbouwer, met name als het gaat om de toepassing van de BOR en de landbouwvrijstelling” en wordt de regering verzocht “fiscale knelpunten in de samenwerking tussen melkveehouders en akkerbouwers weg te nemen, en daarbij onder meer te onderzoeken dat bij tijdelijke uitruil van grond de schenk- en erffaciliteit blijft gelden en dat met het oog op verbreding van de vruchtwisseling bij pachtgrond de landbouwvrijstelling voor de eigenaar niet verloren gaat”.

      In 2024 zijn Kamervragen over teeltpacht en de BOR beantwoord[2]. Op de vraag “Bent u bereid om, voor teeltpachtovereenkomsten waarbij voor één partij sprake is van een teelt waarvoor teeltwisseling noodzakelijk is en bij de andere partij niet, de teeltpachtovereenkomst bij beide partijen te laten kwalificeren voor de BOR?” Is het volgende antwoord gegeven:
      • “Deze vragen van uw Kamer zijn erop gericht om op korte termijn wijzigingen door te voeren in de pachtregelgeving in verband met een specifieke doorwerking in de BOR en DSR ab, waarbij een aantal dilemma-afwegingen ten aanzien van vruchtwisseling in een duurzame landbouwpraktijk spelen. Ik ben om meerdere redenen van mening dat het niet verstandig is om dat nu te doen:
        Ten eerste wordt er gewerkt aan een herziening van de Pachtwet. Onder andere wordt daarin gekeken naar de mogelijkheid van (tijdelijke) grondruilovereenkomsten, waarbij ten behoeve van duurzame landbouwpraktijk landbouwers qua omvang vergelijkbare percelen grond voor een of tweejaar uitwisselen.
        Ten tweede kunnen in het kader van die regelgeving zorgvuldige integrale afwegingen worden gemaakt ten aanzien van de gewenste te bevorderen vruchtwisselingen ook in relatie tot de in antwoord op vraag 7 geschetste aspecten van het scheuren van (blijvend) grasland. Vooruitlopend daarop wijzigingen doorvoeren ten behoeve van teeltpachtovereenkomsten die ook gebruikt kunnen worden om grond (tijdelijk) aan een andere landbouwer in gebruik te geven zonder wederzijdse grondruil en/of tweezijdig noodzakelijke vruchtwisseling vind ik niet wenselijk. Eerst na een eventuele wijziging van de pachtregelgeving zal worden gekeken naar een specifieke doorwerking in de BOR.”

    • In het ter consultatie voorgelegde voorstel is geen mogelijkheid opgenomen voor (tijdelijke) grondruilovereenkomsten, die zouden kunnen doorwerken naar de BOR. Dat betekent de nieuwe pachtwetgeving geen handvatten gaat bieden om de genoemde knelpunten in de BOR op te lossen. Wij betreuren dat zeer. Wij dringen daarom wel aan om zo snel mogelijk de regeling in de Successiewet zodanig aan te passen, dat het uit gebruik geven van grond in het kader van vruchtwisseling (waaronder ook uitdrukkelijke tijdelijke grondruil tussen twee agrariërs wordt begrepen) niet leidt tot het kwijtraken van de BOR.

  • Landbouwvrijstelling en vruchtwisseling

    • Op 14 november 2025 is het geactualiseerde besluit ‘Inkomstenbelasting. Vennootschapsbelasting. Winst; Landbouwproblematiek’ gepubliceerd. In onderdeel 6 van dit besluit staat dat aan vijf voorwaarden voldaan moet worden om de landbouwvrijstelling te kunnen toepassen op uit gebruik gegeven grond.

    • Naar onze mening volgen deze voorwaarden (grotendeels) niet uit de huidige wetgeving en rechtspraak. Ook dit besluit leidt tot onzekerheid en risico’s voor agrariërs die grond uit gebruik geven. Indien niet voldaan wordt aan de voorwaarden in het besluit, zal een agrariër moeten procederen om toch de landbouwvrijstelling te kunnen toepassen.

    • Dit besluit werkt dus wederom belemmerend voor de praktijk van uit gebruik geven van grond in het kader van vruchtwisseling en de zo wenselijke kringlooplandbouw.

Onze oproep is om de fiscale knelpunten bij uit gebruik geven van grond, die in de afgelopen jaren ontstaan zijn als gevolg van wijzigingen in wet- en regelgeving, zo spoedig mogelijk weg te nemen. Hiermee wordt voorkomen dat de normale agrarische praktijk van vruchtwisseling – waar geen misbruikbedoelingen aan ten grondslag liggen – en doelstellingen in het kader van verbetering van bodem- en waterkwaliteit en kringlooplandbouw niet belemmerd worden.


[1] Motie van het lid Grinwis c.s. over fiscale knelpunten in de samenwerking tussen melkveehouders en akkerbouwers wegnemen, Kamerstukken II, 2025-2026, 36 812, nr. 97.

[2] ‘Antwoord op vragen van de leden Stoffer en Flach over de toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) in de agrarische sector’, 4 juni 2024, 2024D22925.


Auteur: Ellen Smit, jurist en fiscalist, lid van de Vaksectie Recht namens aaff

Deel dit bericht