Medio dit jaar gaf staatssecretaris Van Rij in de fiscale beleids- en uitvoeringsagenda aan dat hij een eenvoudiger en moderner belastingstelsel voorstaat. Mogelijk zullen er belastingregelingen afgeschaft of versoberd worden. Ik wil de staatssecretaris graag helpen in zijn zoektocht naar meer eenvoud in ons belastingstelsel en heb een hele effectieve oplossing voor hem in de aanbieding. Schaf die verschrikkelijke fiscale bodemwaarde af!
De fiscale bodemwaarde voor gebouwen is voor de praktijk een gedrocht van een regeling. Ze is voor het verwerken van aangiften inkomstenbelasting (IB) en vennootschapsbelasting (Vpb) hopeloos arbeidsintensief. Daarnaast is het voor de Belastingdienst welhaast ondoenlijk om er voldoende controle op te kunnen uitoefenen. Mijn indruk is dan ook dat inspecteurs niet of nauwelijks toekomen aan deze controle. Je kunt je hardop afvragen wat het nut van de regeling dan nog is. Daarnaast druist de regeling in tegen gangbare bedrijfseconomische regels.
Maar goed, waar hebben we het over?. Volgens gangbare bedrijfseconomische regels schrijf je over een gebouw af tot op de restwaarde ervan. Dat doe je omdat dat bedrijfsmiddel gedurende een bepaalde periode zogeheten nutsprestaties aflevert voor de onderneming en daarna niet meer. De hoogte van de afschrijving is daarmee afhankelijk van de aanschafwaarde van het zakelijke pand, de gebruiksduur en de restwaarde van het gebouw.
De fiscale afschrijving op gebouwen (opgenomen in artikel 3.30a Wet IB 2001) wijkt daarvan af. Bij gebouwen mag zogezegd slechts tot de fiscale bodemwaarde afgeschreven worden. Die bodemwaarde is daarbij tevens afhankelijk van de erbij behorende grond. De bodemwaarde van een gebouw wordt gesteld op de WOZ-waarde voor gebouwen ter belegging en voor gebouwen in eigen gebruik op 50% van de WOZ-waarde. Met ingang van 1 januari 2019 geldt voor de afschrijving op bedrijfsgebouwen in de Vpb echter 100 procent van de WOZ-waarde als bodemwaarde.
Voor Vamil-investeringen geldt de bodemwaarde overigens niet.
Als je weet dat de regeling in 2007 is ingevoerd als een “grondslagverbreding” in combinatie met een fikse verlaging van het Vpb-tarief en die tarieven nu weer aan het oplopen zijn is er alle reden toe om die grondslagverbreding weer terug te draaien.
Een tweede reden om de bodemwaarde-regeling uit de wet te schrappen is dat er thans een vreemd verschil in behandeling bestaat tussen ondernemers in de IB en de Vpb. Voor ondernemers in de IB geldt voor gebouwen in eigen gebruik 50 procent van de WOZ-waarde als bodemwaarde. Enkel voor gebouwen die de eigenaar verhuurt (een gebouw ter belegging) is de WOZ-waarde de bodemwaarde. Voor de ondernemers in de Vpb geldt de WOZ-waarde van het pand altijd als bodemwaarde.
Een reden temeer om de regeling uit de wet te kieperen is ingegeven door het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2020 m.b.t. de aanhorigheden behorend bij gebouwen van een landbouwbedrijf. In dit arrest is aangegeven dat het gebouw, de daarbij behorende ondergrond en de aanhorigheden als één bedrijfsmiddel moeten worden beschouwd. Aldus is de praktijk verder belast geraakt met welhaast ondoenlijke berekeningen in de boekhouding. De regeling barst uit zijn voegen, de uitvoering ervan piept en het kraakt enorm op de werkvloer!
Naar mijn mening is er alle reden om de fiscale bodemwaarde uit de wet te schrappen. De regeling is achterhaald, niet logisch, unfair, nodeloos ingewikkeld, in praktische zin een gedrocht en daarmee zeer slecht controleerbaar.
Ik zou willen zeggen: Bodemwaarde, afzinken die hap en naar de kelder ermee!

